Appie Baantjer: ‘Ik leg gewoon ergens een lijk neer en zie wel waar het naartoe gaat’

Meer dan vijf miljoenen boeken zijn er al van hem verkocht. Daarmee is Appie Baantjer de bestgelezen schrijver van Nederland. Elk nieuw boek van zijn hand bestormt onmiddellijk de boeken Top 10. Jong en oud verslindt de avonturen van rechercheur De Cock (met ceeooceekaa), mede dankzij de al even populaire televisieserie met Piet Römer. Baantjer is inmiddels 82 jaar, maar denkt nog lang niet aan ophouden.

Aan de andere kant van de lijn klinkt een opgewekte stem. ‘Goedemiddag, God zal u zegenen.’ Op deze manier neemt Appie Baantjer al jaren de telefoon opneemt. Het kenmerkt de positieve instelling van de in Urk geboren schrijver. Na deze hartelijke begroeting vertelt de populaire schrijver dat hij zojuist de laatste punt van deel 66 heeft gezet van de serie over rechercheur De Cock. Zijn uitgever kan dus nog even vooruit, want in de boekhandel ligt sinds enkele weken deel 62 in de schappen. ‘Er worden van een nieuw boek altijd meteen 100.000 exemplaren gedrukt’, zegt de schrijver niet zonder trots. Cijfers die menig Nederlands schrijver doen duizelen.
Appie Baantjer schrijft voor een groot publiek, maar minstens zo belangrijk is dat hij het zelf nog steeds leuk vind. Het schrijven van boeken over rechercheur De Cock, zijn compagnon Vledder, hun baas commissaris Buitendam en de andere bekende personages, verveelt hem nooit. ‘Ik schrijf er twee per jaar. Ik doe drie maanden over een boek. Dan schrijf ik drie maanden niet, even helemaal bijkomen. Daarna begint het weer te kriebelen en ga ik weer aan de slag. Vooraf beb ik geen flauw idee waarover mijn boek zal gaan. Ik leg gewoon ergens een lijk neer en zie wel waar het naartoe gaat.’
Zo’n 136 pagina’s later hebben De Cock en Vledder de zaak opgelost. De oude, wijze Jurrian de Cock (met ceeooceekaa) is de traditionele rechercheur, die met zijn ervaring en mensenkennis de rust zelve is. Met zijn lange regenjas en vilten hoedje staat hij symbool voor het gezag. Jonge hond Vledder is onstuimiger. Heeft Vledder vaak meteen al een dader op het oog, De Cock heeft liever zekerheid heeft voordat hij iemand als moordenaar aanwijst. En altijd zijn het de vermoeide voeten die opspelen als een zaak dreigt vast te lopen, doet een glaasje cognac in het etablissement van Smalle Lowietje dan wonderen en botst De Cock in elk avontuur met zijn baas, commissaris Buitendam.

Hoe komt het toch dat uw boeken zo razend populair zijn. Wat is uw geheim?
‘Dat weet ik zelf eigenlijk niet. Ik denk dat het te maken heeft met het vertrouwde sfeertje dat ik heb neergezet. Er is een aantal items dat in elk boek terugkomt. Het cognacje bij Smalle Lowietje, de ruzie bij Buitendam... Het hoort er allemaal bij. Het gebeurt wel eens dat ik een van die vaste items weglaat, en dan krijg ik meteen allerlei boze brieven. Daarnaast is er altijd de verrassende ontknoping. Overigens gaat het schrijven niet vanzelf hoor. Ik doe er altijd alles aan om een kwaliteitsboek af te leveren. Er mag heus wel eens een minder boek tussen zitten, maar het mogen er geen twee zijn. Dan haken de mensen af.’
‘Vroeger gaf ik een nieuw boek eerst aan mijn oude moeder. Ik zette een kop koffie neer en ze begon te lezen. Als de koffie op een bepaald moment koud was, betekende dat het een goed boek was. Als ze ergens halverwege was overgegaan in de Margriet, wist ik: daar gaat het fout. Tegenwoordig is mijn vrouw mijn eerste lezer. En zij is daar best kritisch in. Of ik ooit een boek heb weggegooid omdat ik het niet goed genoeg vond? Eigenlijk niet. Ik zeg altijd maar zo: als ik dertig pagina’s heb, dan komt het boek zeker af. Waarom? Omdat ik het zonde vind om dertig pagina’s weg te gooien.’

Uw inspiratiebron laat zich gemakkelijk raden. U heeft zelf ook bij de politie gezeten.
‘Ja, maar het was niet bepaald mijn roeping. Het was mijn vader die op een dag in 1945 zei: Appie, je moet je melden op het hoofdbureau van politie in Amsterdam. Ik heb toch niets uitgespookt, dacht ik. Wat moet ik daar? Toen ik er aan kwam, bleek dat mijn vader voor mij had gesolliciteerd. Ik was 23 jaar en vond het hier in Nederland maar niks. Ik had me opgegeven voor de strijd in Indonesië, maar blijkbaar zagen mijn ouders dat niet zitten. Wat ik zelf van een baan bij de politie vond? Nou, ik ben maar gewoon begonnen... Ik heb altijd de instelling gehad van als er een probleem is, dan los ik dat op. Er was in die tijd trouwens nog maar weinig misdaad. De mensen waren nog gezagsgetrouw. Als je zei dat iets niet mocht, deden ze het meestal niet meer. We hadden als politie toendertijd dus weinig problemen.’
‘In 1948 ging ik naar de zogenaamde Radio-, Auto- en Motordienst. Dat was fantastisch. Daarvoor reden we als politiemensen op de fiets. Als ergens een inbraak gemeld werd, trapten we onszelf naar de plaats delict. Eenmaal ter plaatse, waren de inbrekers natuurlijk al verdwenen. Met de invoering van de Radio-, Auto- en Motordienst, de zogenaamde 5x8 dienst, was dat anders. Nu konden we opeens binnen vier minuten overal aanwezig zijn. Die dienst was een succes en daarom reden er nogal eens journalisten met ons mee. Als ik hun verhalen in de krant las, vond ik dat vaak maar niks. Samen met collega Maurice van Dijk heb ik daarom het boek ‘5x8 grijpt in’ geschreven. Er werden 3000 exemplaren van gedrukt en daar zijn er 2000 van bij De Slegte terechtgekomen, haha. Maar inmiddels is dat boek een collectors item. Laatst betaalde iemand 100 euro voor een exemplaar.’

Uiteindelijk belandde u, net als De Cock, op bureau Warmoesstraat?
‘Inderdaad. Ik werkte twee maanden als rechercheur en kreeg een uitmuntende beoordeling. Daarom vond men dat ik me maar eens moest gaan bewijzen aan de Warmoesstraat. Dat was niet zo’n gemakkelijk bureau. Ik kom uit een Calvinistisch nest en dan is het nogal wat als je terechtkomt in een buurt waar veel prostituees en pooiers zitten. Daar heb ik aardig mee geworsteld. In het begin nam ik een collega mee als ik met een prostituee moest gaan praten.’
‘Uiteindelijk heb ik nogal wat successen geboekt in die buurt. Het was natuurlijk nog niet zoals tegenwoordig. Ook daar waren mensen gezagsgetrouw en bovendien zorgden de prostituees ook onder elkaar voor orde. Zelfs de misdadigers hielden zich aan bepaalde regels. Een oudje vrouwtje beroven was er niet bij. Fietsendieven waren er wel, maar die werden stevig aangepakt. Het kon zomaar gebeuren dat een fietsendief een jaar gevangenis tegen zich hoorde eisen. Als we dat nu nog zouden doen, moeten er tientallen bajessen worden bijgebouwd.’

U heeft 28 jaar op bureau Warmoesstraat gewerkt. U hield er een bijzondere werkwijze op na, die nog steeds wordt toegepast door uw ‘pennenzoon’ rechercheur De Cock.
‘Ik was niet geïnteresseerd in wat iemand had gedaan, maar meer in het waarom. Het hielp ook dat ik goed met iedereen kon opschieten, ook met criminelen, pooiers en prostituees. Als ik iemand moest verhoren, begon ik eerst over voetbal of over mijn moeder. Dat deed ik dan om vertrouwen te kweken. Dat hielp, want uiteindelijk kwam er meestal wel een bekentenis. De verscheidenheid aan mensen in die buurt sprak me enorm aan. Het Centraal Station zat in de buurt, de Dam, de Rosse Buurt, de Chinese buurt. Als rechercheur kwam je er met het hele wetboek van strafrecht in aanraking.‘
‘Ik kijk met plezier op die tijd terug. Ik heb altijd goed geluisterd naar de mensen die ik moest verhoren en heb daar later veel aan gehad voor mijn boeken. Of ik nu nog daar zou kunnen werken? Nee hoor! Nee! Ik zou binnen veertien dagen de grootste ruzie hebben met mijn superieuren. We waren destijds behoorlijk vrijgevochten aan de Warmoesstraat. We konden binnen bepaalde kaders doen wat we wilden, zonder in de problemen te komen. Zo had ik blanco arrestatiebevelen in mijn bureaula liggen. Nee, een commissaris Buitendam was daar niet. Al is hij wel gebaseerd op een chef die ik ooit heb gehad. Dat geldt trouwens voor veel personages in mijn boeken.’

Waar komt De Cock eigenlijk vandaan?
‘Zijn naam is afgeleid van een collega van destijds die Den Haan heette. In de oorlog noemde hij zichzelf Le Coq en dat werd bij mij dus De Cock. Vledder zat destijds tegenover mij op het bureau. Hij vond het prima dat ik zij naam gebruikte. Ik sprak hem onlangs nog. Hij zei: ‘Ik vind het leuk dat ik dezelfde naam heb als die knappe Vledder uit de televisieserie’. De personages zijn in al die jaren trouwens niet ouder geworden. De Cock zat in zijn eerste avontuur, in 1964, al tegen zijn pensioen aan en dat is nu nog steeds zo.’

U bent 82 jaar oud en heeft nu 66 delen geschreven. Vindt u het niet welletjes geweest?
‘Nooit! Ik schrijf door tot onze Lieve Heer mijn geest versluiert. Als ik dingen ga vergeten of foutjes ga maken, dan stop ik ermee. Mensen in mijn omgeving hebben mij beloofd het te melden zodra dat gebeurt. Het publiek krijgt ook geen genoeg van De Cock, want dat is alleen maar gegroeid. Mede dankzij die televisieserie met Piet Römer. Wat ik van de tv-serie vind? Ik vind het allemaal prima. Ze gebruiken alleen de personages, verder heb ik er geen bemoeienis mee. We hebben een aantal afspraken gemaakt, zodat ze De Cock niet opeens rare dingen laten doen. Het grappige is dat vooral veel jongeren mijn boeken zijn gaan lezen naar aanleiding van die serie. Die vinden het een leuke tv-serie en zijn er toen achtergekomen dat er ook boeken van zijn. Veel mensen zien Piet Römer inderdaad als De Cock. Vind ik niet erg, hoor. Ik moet wel lachen als ik ergens binnenkom en ik hoor iemand zeggen: Ik wist niet dat Baantjer er zo uitziet...

Straatmagazine, 13 november 2004

Naschrift: Appie Baantjer overleed op 29 augustus 2010.

3/10/2011 | boeken |